
Onze longen lijken een beetje op een op zijn kop hangende boom. De luchtpijp is een holle buis van ongeveer 12 cm lang en 2,5 cm in doorsnede die zich splitst in twee kleine takken die we de bronchiën noemen. De bronchiën splitsen zich weer in kleinere takjes. De kleinste takken noemen we de longblaasjes of alveoli. De longblaasjes zijn de bladeren van de longen. Het zijn uiterst kleine en tere membraampjes waar de gasuitwisseling met het bloed plaatsvindt. Elk longblaasje is omgeven door kleine adertjes, capillairen genaamd. De (gezonde) longblaasjes zijn erg elastisch waardoor zij kunnen uitzetten en samentrekken bij respectievelijk uitademen of inademen.
Onze longen hebben een inhoud van 5 tot 7 liter. Als we in rust zijn ademen we slechts een klein gedeelte van de totale inhoud in en uit. We noemen dit het ademvolume. Deze hoeveelheid lucht is voldoende als we bijvoorbeeld rustig in een stoel een boek aan het lezen zijn. Iemand die aan het hardlopen is, zal niet voldoende aan deze hoeveelheid lucht hebben. De lucht die we maximaal kunnen opnemen bij een diepe inademing noemen we de vitale capaciteit. De hoeveelheid van deze vitale capaciteit is van persoon tot persoon verschillend. Zaken als gewicht, conditie en roken zijn van invloed op de hoeveelheid lucht die we bij een diepe inademing kunnen opnemen.
Iemand die rookt en een slechte lichamelijke conditie heeft kan bij een diepe inademing bijvoorbeeld slechts 2,5 liter lucht ademen, terwijl een goed getrainde atleet 6 liter kan inademen. Hoe sterk je ook uitademt, je kunt nooit de hele longinhoud uitademen. Er blijft altijd nog ongeveer 1,2 liter lucht in de longen achter. Dit noemen we het luchtresidu. Niet alle lucht die we tijdens een diepe ademhaling inademen komt in de longen terecht. Een gedeelte blijft achter in de luchtpijp, keel en neus en wordt weer uitgeademd zonder ooit in de longen te zijn geweest. De genoemde gebieden waar de lucht achterblijft noemen we 'dode ruimten'.